Kiemcel en kosmos

Tekst geschreven door Nico Huijbregts, pianist, componist en beeldend kunstenaar.
geschreven tijdens atelierbezoeken waar Nico alleen met het werk was.

Kiemcel en kosmos
bij het werk van Selma Dronkers

Vooraf aan het atelierbezoek geeft de kunstenaar me een voorzichtige waarschuwing: ‘Dat er tekeningen aan de muur hangen wil niet zeggen dat ze af zijn’ – maar wanneer ik omringd ben door haar werk blijkt ‘af’ al snel een hachelijk begrip.
Aan een muur hangen frêle en fijnzinnige potloodtekeningen. Aan een andere muur stellige tekeningen gemaakt met blauwe verfstiften. Rondom mij, hoog aan de wanden, hangen talloze foto’s op briefkaartformaat van luchten, hier leeg, daar met machtige wolkenpartijen. En op een van de tafels liggen tekeningen van soms nauwelijks zichtbare, dicht op elkaar geplaatste verticale kleurpotloodlijnen.
Soms is een vel papier tot aan de randen volgetekend met krasjes en vlekjes. Soms ook blijven er stukjes en stukken wit uitgespaard: gaten van licht die nu eens opkomen, dan weer in de diepte verdwijnen.
Deze tekeningen en foto’s dwingen mij onmiddellijk mijn eigen perspectief te bevragen: waar sta ik als ik kijk naar al deze werken? Kijk ik naar iets dat als door een microscoop extreem vergroot is, openbaart de kunstenaar met deze werken een werkelijkheid die het blote oog nooit kan waarnemen – of: zweef ik als een vogel honderden kilometers boven landschappen van welke de details van menselijke maat verdwijnen en opgaan in grotere overweldigende structuren en vormen?
De microscoopblik maakt dat alles dat aan zo’n tekening te zien is zich naar binnen toe, a.h.w. in het papier beweegt, niet snel maar op een vertragende manier. De blik van de vogel daarentegen maakt dat dit alles zich expansief buiten de grenzen van het papier uitbreidt, alsof je kijkt in de kern van een explosie die op exact dit moment losbarst en waarvan je de enorme wervelingen buiten de vier zijden van het papier welhaast moet volgen.
Deze werken, hoewel natuurlijk begrensd door de rechthoekige en soms vierkante formaten van het papier, dulden geen grenzen. Hun optische zichtbaarheid gaat gepaard aan hun even belangrijke onzichtbare voortzetting, ver naar binnen, of juist ver naar buiten toe.
Je zou het kunnen vergelijken met het kijken naar iemand: alles wat hij of zij is, is een optelsom van wat je ziet en dat wat je niet ziet, d.i. de resonanties die deze persoon oproept zowel in jouzelf als in de werkelijkheid en de tijd die ver buiten deze persoon liggen.
Kijk ik naar al deze tekeningen, dan gebeurt mij hetzelfde: wat ze mij tonen, hun stoffelijke beeltenis, resoneert zoals geluid en licht in een ruimte of lichaam resoneren. En niet alleen de tekeningen, ook de snapshots van wolken weten dit te bewerkstelligen: een klein stukje lucht wordt door de camera steeds heel dichtbij gehaald. Onmiddellijk weken deze foto’s het landschap en de situatie in je geest los die bij precies dit stukje lucht hoort en zonder moeite plaats je jezelf onder dit fragment hemel. Hier laat je je de koelte welgevallen. Daar zet je je schrap tegen de wind. En hier geef je je lui over aan de hitte. Daar weer verberg je je diep in je jas tegen de kou. Ieder stukje lucht komt zo dicht op je huid. Maar tegelijkertijd ook bevindt het zich op grote afstand van je: immens is het luchtruim, onmogelijk dat jij, nietig wezen, het in zijn geheel ooit kan omarmen.
Met een grote precisie wordt deze wereld van cel en kosmos trefzeker verbeeld in de tekeningen: er lijkt geen krasje of vlekje of vorm verkeerd gezet. Nergens een voorzichtige schetslijn te zien. Nergens een teken van wegpoetsen of gummen. Eén lijntje, of één vlekje, of één krasje, of één veeg lijkt aan het begin van iedere tekening neergezet als was het een eerste kiemcel. Dan deelt deze zich, in weer zo’n lijntje, zo’n vlekje, krasje of veeg. Het bedachtzame oog van de kunstenaar stuurt de hand en celdeling na celdeling groeit het werk als een levend organisme. En ook al komt er bij ieder afzonderlijke tekening het moment waarop de kunstenaar dit organische groeiproces staakt, en dus het begrip ‘af’ zich aandient, zodra een ander, ik of jij, een blik op één werk werpt, deelt zich iedere cel weer verder.
En ook al oogt iedere handeling in dit werk even raak, het zetten van die lijn, die vlek, of die kras, legt slechts een zoveelste fractie bloot van een groter geheel dat steeds verder ontrafeld wordt: de kunstenaar zet deze affe middelen in juist om iets te verbeelden dat zijn voleinding nog lang niet nabij is, misschien in wezen wel altijd onaf zal blijven.
Hoewel alle werken een trage naar binnen gekeerde beweging ofwel onrustige expansie in zich dragen, is de beweging in de potloodtekeningen veel meer verstild dan in de blauwwitte werken met verfstift: de krijtachtig blauwe kleurvlakken en het harde wit van de uitsparingen daar vormen onderling een scherp contrast en zijn op die manier veel meer opdringerig. Het is alsof hier steeds weer een moment van de oerknal wordt weergegeven, terwijl in de potloodtekeningen met hun zachte grijstonen we veeleer naar de natrillingen ervan kijken.
Op een van de tafels in het atelier liggen een aantal kleinere potloodtekeningen, ditmaal in kleur. Allemaal laten ze hetzelfde zien: verticale smalle lijnen pal naast elkaar geplaatst. En dat in die typische kleurpotloodkleuren die nooit in staat zijn om hard, scherp of schreeuwerig zich aan ons op te dringen. Ieder geel of roze of blauw of groen blijft altijd zacht fluisteren, hoe hard je er ook mee zou krassen. Zo, in verschillende schakeringen naast elkaar, vormen ze soms een stil verloop van licht dat eindeloos door kan trillen, soms ook maken ze contrastrijker maar nog steeds gedempt rechthoekige vlakken, duidelijk afgebakend. Waar het overige werk opvalt door een beheerste en gecontroleerde grilligheid, is hier opnieuw diezelfde controle en bedachtzaamheid te zien maar nu toegepast op een nog verder geïsoleerd deel van de werkelijkheid: het licht. Nauwgezet zijn alle kleurlijnen in gelijke lengte naast elkaar gezet, maar statisch is hun voorkomen allerminst. De lichtvlakken die deze verticale lijnen oproepen zweven boven hun drager en veroorzaken opnieuw dat wat mij tijdens het kijken naar het andere werk steeds overkwam: nu eens wordt je blik naar binnen getrokken, als in de kleinste kern die de complete wereld van de kunstenaar bevat, dan weer word je meegenomen in de herhaling die deze vlakken licht suggereren: alsof ze zich onbeperkt zullen voortplanten buiten de grenzen van het papier waarvan ze los lijken te komen.
Omdat ik deze tekeningen zie ligt het erg voor de hand om de nadruk te leggen op het licht – maar net zo nadrukkelijk als het visuele dringt zich tijdens het kijken naar dit werk bij mij voortdurend het hoorbare op: in de blauwe verfstifttekeningen de oerknal, in de zachtgrijze potloodtekeningen de resonanties daarvan in de ruimte en de tijd, en tot slot: in deze kleurpotloodtekeningen de opheffing van tijd en ruimte: ik staar hier naar een eindeloze grondtoon waarin alles tot rust weerkeert.
Maart 2016