Gisteren zag ik mijn vriendin. Ze hing de lakens te drogen in haar achtertuin. Ze was maar een heel klein figuurtje in de zon onder al het blauw. Ik riep haar naam zo hard ik kon. Mijn roep golfde over de weilanden voordat ze opkeek. Wij zwaaiden naar elkaar. Kleine figuurtjes met armpjes als lucifers opgeheven in de lucht. Ik denk wel dat ze mij herkende. Mijn stem, mijn vriendje in zwart wit en mijn haren in de zon. Ik heb het haar nog niet gevraagd. Later misschien, wanneer wij elkaar weer van dichterbij zien.